Doophek en dooptuin


In onze kerk staan onder het orgel en in de consistorie nog de hekwerken van de oude dooptuin die we hadden vóór de grote kerkrestauratie in 1964 - 1967. Deze hekken zijn enigszins aangepast tot 3 lange hekken. 2 daarvan staan tegen de muur (tegen brede nissen) in de noordelijke zijbeuk (onder het orgel). De andere staat tegen de westelijke muur in de consistorie. Tegen de westelijke muur, onder het orgel staat één van de toegangsdeuren van de oude dooptuin. Na de restauratie is deze in de bouwcontainer terecht gekomen, om weg gegooid te worden.
Gelukkig heeft iemand de waarde nog ingezien van dit houtwerk en heeft deze, na restauratie, jarenlang in zijn woonkamer gehad. Na ruim 50 jaar is deze toegangsdeur weer terug en heeft nu een plekje gekregen in onze kerk.

 

 























Over de dooptuin en doophek is veel te vertellen.
De tuin voor de preekstoel werd in de volksmond ook wel voorgestoelte genoemd.
Na de Reformatie was de preekstoel het nieuwe liturgisch centrum ipv het koor met het altaar in Katholieke tijden. In Lopik met verschillende altaren. Het verkondigde Woord werd het hart van de eredienst. De gemeente kwam niet meer bij het altaar samen, maar rondom de preekstoel. Het altaar zelf werd verwijderd, en rondom de preekstoel ontstond een nieuw ‘centrum’.
Stoelen en banken, werden in een halve cirkel om de preekstoel gezet om te luisteren naar lezingen en preken. Bij de preekstoel werd voortaan gedoopt en werden huwelijken ingezegend en er werd ook 4 keer per jaar het avondmaal (de protestantse communieviering) voor de preekstoel gehouden.
Voor de laatste grote restauratie van onze kerk, stond de preekstoel ergens anders, namelijk tegen een schot aan voor het koor. De gemeente kwam aan de West kant, onder de toren binnen. De preekstoel stond dus aan de Oost kant van de kerk, voor het koor. Op oude foto’s is dat nog goed te zien. Kijk naar de grote witte hoek pilaren waar het schot tussen stond. Tegen dit schot stond de preekstoel. Of de preekstoel daar altijd heeft gestaan is niet bekend, maar hoogst waarschijnlijk wel.


Na de Reformatie werden in de oude kerken de altaren uit het koor gehaald, dat was vroeger het centrum van de kerk. Daarvoor in de plaats kwam dus de preekstoel te staan.

De inrichting van de kerk(zaal) was en is karakteristiek voor de Nederlandse gereformeerde traditie. De preekstoel tegen één van de muurdelen is het centrale punt. De stoelen en banken maken zichtbaar dat het hele bedehuis dient voor het aanhoren van de verkondiging vanaf de preekstoel. Voor de preekstoel bevindt zich een omheinde ruimte, de zogenaamde dooptuin. Alle wezenlijke elementen van de gereformeerde eredienst hebben hier hun plek. De doopvont is meestal een klein geelkoperen schaaltje, vastgemaakt aan de preekstoel om te laten zien dat het sacrament strikt gebonden was aan het verkondigde Woord. Aan de linkerkant van de preekstoel bevinden zich binnen de dooptuin de banken voor de ouderlingen en diakenen, met een flinke bijbel voor elk van hen. Dat symboliseert hun geestelijk ambt en hun verantwoordelijkheid om te waken over de ware verkondiging van het Woord. Dan stond er ook nog een tafel in deze tuin, dat was ook zo in onze kerk van Lopik. Of daar dan 4x per jaar heiligavond maal werd gevierd of buiten de dooptuin is mij niet geheel duidelijk. Wat ik wel weet dat er toentertijd zeer weinig mensen aan tafel gingen. Verder bevond zich vooraan op het hek van de dooptuin een lessenaar met een grote bijbel, hier stond de voorlezer.
De dooptuin, de ruimte rond de preekstoel, was trouw aan de gereformeerde leer, een ruimte van het Woord en van de aan het Woord verbonden sacramenten, een ruimte van het geestelijk ambt naar gereformeerde opvatting, waar tijdens de kerkdienst de ouderlingen, de diakenen en de predikant verblijven om samen symbool te zijn van Gods volk dat gehoorzaam is aan Gods Woord.


Een Katholieke kerk of kapel werd vroeger niet zomaar ergens neergezet.
In Nederland waren de kerken en kapellen van vóór de Reformatie meestal ge-oost (d.w.z. op het oosten gericht), dus gebouwd op een oost-westas. Het eerste licht van elke nieuwe dag valt dan in de kerk binnen door het venster boven het altaar aan het einde van de koorruimte. Door die oriëntatie vormt de kerkruimte een microkosmos, een afspiegeling van de schepping met een vaste orde. De gelovige kwamen toen de kerk binnen vanuit het Westen en liepen naar het Oosten, dus van avondschemer naar dage raad, van sterfelijkheid naar opstanding. Als hij in die richting loopt, heeft hij aan zijn linkerhand de koude noordmuur van de kerk en aan zijn rechterhand de warme zuidmuur. Achter de koude muur ging vaak het kerkhof schuil, in Lopik is dat niet het geval. Of toch wel. Vroeger was de kerk veel groter. De toren stond al rond het jaar 1500 op wat nu de begraafplaats is achter de bakkerij. Door het glas van de vensters in de noordmuur valt nooit direct zonlicht. De andere kant daarentegen, de zuidgevel, ontvangt veel direct zonlicht. Het altaar was het centrale punt, dat meestal stond op een verhoogt koor, met een soort hekwerk ervoor. Tot het altaar of de koorruimte hadden ze geen toegang. Meestal was deze verhoogd en/of stond een soort hek voor, ook wel koorhek genoemd.
In hedendaagse Katholieken kerken kun je deze koorheken nog zien. In het koor mochten alleen de priesters of geestelijke komen en niet het gewone volk. De preekstoel staat uit praktische overwegingen opgesteld daar waar het volk zich bevindt, halverwege het kerkschip: een deel van de misbezoekers zal zich van het altaar moeten afwenden om voor een ogenblik te luisteren naar de prediker. De preekstoel bevindt zich vaak (maar niet altijd) aan de zuidkant van het schip. In de katholieke eredienst worden de Schriften niet vanaf de preekstoel gelezen, maar vanaf een lezenaar bij het altaar – de preekstoel neemt dus geen sleutelpositie in.


We moeten ons realiseren dat binnen de katholieke kerk er dus veel ruimte was voor de sacrale symboliek (vrij vertaald heilige symboliek) van de kerkruimte. De Reformatie besloeg een groot deel van de Nederlanden. In het jaar 1568 brak de Tachtigjarige Oorlog uit (de Nederlandse versie van de Dertigjarige Oorlog, want dit gewapende religieus-politieke conflict begon hier precies een halve eeuw eerder). De hertog van Alva  trok met zijn Spaanse troepen de Nederlanden binnen. Kort daarop trad Willem van Oranje, die zich tot dan toe niet voor één van de geloofsrichtingen had willen uitspreken, toe tot de gereformeerde kerkgemeenschap en werd hij de leider van de Nederlandse bevrijdingsbeweging. Op het grondgebied van het huidige Nederland werden in die tijd alle bestaande kerkgebouwen voor de gereformeerde eredienst in gebruik genomen.
Alle beeltenissen werden uit de kerken verwijderd. Dat gebeurde slechts op enkele plaatsen in de vorm van een gewelddadige beeldenstorm. De algemene verwijdering van beeltenissen drukte de overtuiging uit dat de eredienst zich moet concentreren op de aanbidding van de onzienlijke en ontastbare God. Zodoende moesten zelfs afbeeldingen van Christus en het kruis verdwijnen.  Ze mochten alleen verbeeld worden in woorden, in prediking en gebed.
In veel gevallen moesten na een tijd ook de glas-in-loodramen eraan geloven, niet vanwege vernielzucht maar vanwege de nieuwe kerkelijke gebruiken. Mensen begonnen hun bijbels en psalmboeken mee te nemen naar de kerk. De opbloei van de boekdrukkunst kwam tegelijk met de aanbeveling van de Reformatie, dat ieder zelf de Heilige Schrift zou moeten kunnen lezen. De gelovigen namen hun bijbels en psalmboeken mee naar de kerkdiensten om de schriftlezingen in hun eigen exemplaar te volgen. Witte muren en helder glas moesten helpen om maximaal gebruik te maken van het daglicht. We moeten ook niet vergeten dat tijdens de laatste grote restauratie mooie muurschilderingen tevoorschijn kwamen achter het witte pleisterwerk in het oude koor van de kerk.
In de kerk van Lopik hebben we ook glas in lood ramen gehad, dat weten we omdat we in een van de oude notulen lezen van het uitbetalen een glaswachter.


Tijdens de beeldenstorm vond er een omwenteling plaats in deze sacrale symboliek. Er werden niet alleen beelden vernietigd om religieuze of theologische redenen, maar ook als protest van het arme volk tegen de praalzucht van lokale burgerlijke en religieuze overheden.  Niet alleen werden alle beeltenissen uit de kerkinterieurs verwijderd: er gebeurden nog meer, namelijk een omwenteling in de gehele sacrale symboliek.

De ruimte rond de preekstoel in de kerk van de Reformatie is geen sacrale ruimte in de katholieke betekenis, en de hele kerk is geen heiligdom in de katholieke zin van dat woord. De calvinistische reformatie vatte het kerkgebouw meer op in de zin van de synagoge, een leerhuis van het Woord dan in de zin van een tempel. De kerk moet een dak zijn boven de hoofden van mensen die het uiteindelijke heiligdom verwachten in het nieuwe Jeruzalem, dat als een Godsgeschenk uit de hemel zal neerdalen op de jongste dag.