Kerkgeschiedenis van onze gemeente.

Wilt u nog meer arikelen lezen over onze kerkgeschiedenis, bezoek dan ook onze site. Hier vind u artikelen over diverse onderwerpen. Ga naar Kerkgeschiedenis van onze Dorpsskerk in Lopik.

De geschiedenis van het kerkgebouw is onlosmakelijk verbonden met de met de landelijke kerkgeschiedenis, maar ook van de lokale geschiedenis van ons dorp Lopik. Hier kunt u lezen wat de geschiedenis is van ons kerkgebouw en met haar de lokale geschiedenis van Lopik. Er is veel over te vertellen, hier vind u een kort en bondige weergave van onze geschiedenis.

Men neemt aan dat in de derde tot de achtste eeuw er bijna geen permanente bewoning was omdat de Lek en de Hollandse IJssel toen erg actief waren in het verleggen van hun stromingen. In de Karolische Tijd van 650-900 (Karel de Grote 768-814) vestigden zich weer mensen in het rivierengebied. En werd er een begin gemaakt met het ontginnen van enkele kleine gebieden tussen de Hollandse IJssel en de Lek. Het waren vooral de stroomruggen en de oeverwallen vanwege de goede akkerbouwgrond. De oeverwallen hadden een zandige structuur er kan makkelijk overtollige water van laten af vloeien.In periode van droogte zorgen zij er voor dat de vegetatie makkelijk water aan de bodem kunnen onttrekken.
In een oorkonde van Karel de Grote uit 777 is er sprake van de “Lokkia”of te wel de Lek.
We weten niet precies wanneer er een kerk in Lopik heeft gestaan, maar we mogen aannemen dat er rond of na 800 na Chr. een kleine kapel heeft gestaan. In een groot aantal documenten lezen we dat er rond de stad Utrecht al vele kerken en kapellen zijn gesticht.

Zo rond 850 na Chr. werd de provincie Utrecht en ook de streek tussen Lek en Hollandse IJssel geplunderd en uitgemoord door de Noormannen.
Maar rond 900 na Chr., onder bisschop Balderik (van Utrecht), is de wederopbouw begonnen. Omstreeks die tijd hebben zich de oude dorpen in deze gouw (zeg maar graafschap) “Leck en Issle” (de Lek en de Hollandse IJssel) rond een landhoeve of villa, bewoond door een aanzienlijke leenman, gevormd. Bij een dergelijke landhoeve of villa stond er meestal ook een kleine kerk. Uit bronnen weten we dat deze leenmannen erg gesteld waren op deze kleine kerken, maar de kerk wilde deze gewoonte tegengaan en ± 803 werden er een aantal afgebroken om de parochiekerken niet in hun recht te beknotten. Er waren dus al wat kerken in deze gouw “Leck en Issle”. Lopik zal dan waarschijnlijk ook wel een dergelijk eigen kerkje hebben gehad.
De huidige kerk van Lopik zal dan waarschijnlijk in de buurt van een dergelijke oude hofkapel gebouwd zijn. We nemen dit aan omdat er in het koor van deze kerk in de onderbouw de sporen van een zeer oude bouwtrant zijn gevonden (sporen van een bouwtrant uit de 10de – 12de eeuw in de ondermuren van het koor).
In 1155 na Chr. wordt Lopik vermeldt (de oudste tot nu toe bekend) in een brief van bisschop Herman van Hoorn met als naam Lobeke. Deze naam is afgeleid van het gelijknamige veenstroompje van waaruit de wildernis in noordelijke richting is ontgonnen. De naam Lobeke is geleidelijk via Lopeke, Locop(e), Loopwijc, Loopwick en Lopica geëvolueerd naar het huidige Lopik. Over de betekenis van de naam Lobeke bestaan verschillende meningen. Het woord “lo(o)” betekent “een open plek in het bos” of “waterloop”. Het achtervoegsel “beke” heeft de betekenis van “beek” of is mogelijk als verkleinwoordje op te vatten. De naam Lobeke kan dus uitgelegd worden als “kleine rivier” of als “beek” in een gebied dat als loo bekend staat. We moeten het denk ik in die richting zoeken omdat de omgeving van de polder  Zevenhoven, Hoge Biezen en Over Oudland vroeger met Loo werden aangeduid (De verbinding van de Enge IJssel met de Hollandse IJssel in het Gebied Loo stond vroeger bekend als “Loslote”).

De kerk van Lopik was vroeger gewijd aan Sanctus Salvator (dat is de Heilige Verlosser).
De kerk in bijna de gehele Lopikerwaard was vroeger van de kapittels van de Dom (St. Marie) en Oudmunster (St. Salvator). Koning Otto I (de Duitse tak van het Frankische Rijk, een achter, achter, achter, achter klein kind van Karel de Grote) schonk de gouw of graafschap Lek en IJssel aan deze twee kapittels in 939 na Chr. Een kapittel is een soort organisatie / regering van een groot stuk land en over mensen, bestaande uit dekens en kapittelheren, het zijn dus geestelijken van de oude kerk van vóór de reformatie).
Vroeger was dus de streek Lek en IJssel een gouw of graafschap en er werd over dit gebied een leenheer, leenman (een graaf) gesteld over deze koningsgoederen (landerijen, mensen, huizen en boerderijen, rechten en rechtspraak, belastingen enz). Na 939 na Chr. is het gebied pas in handen gekomen van de kerk. Het heeft altijd gevallen onder het bisdom Utrecht met als hoofd de bisschop van Utrecht. Koning Otto I en zijn latere opvolgers vergrootten hiermee (met latere schenkingen) de invloedsfeer van de geestelijkheid en versterkten daarmee tevens de macht van de bisschop en het bisdom. Met deze giften werd de aanzet gegeven tot de vorming van het Sticht en de vervanging van het leenwezen met vazallen door een beambtendom van bisschoppelijke ministrielen (zeg maar dienstmannen). Dit proces verliep geleidelijk, hierdoor kunnen we niet precies zeggen wanneer de bisschop de volledige wereldlijke macht in handen had. De positie als landheer (we hebben het nog steeds over de bisschop van Utrecht) zou begin 1100 geconsolideerd (dat is hecht en duurzaam) zijn. De bisschop van Utrecht had helpers om zijn taken te vervullen, zowel op missionair als op bestuurlijk gebied. De priesters met aan het hoofd een aartspriester hielden zich bezig met de geestelijke bediening, de diakenen met aan het hoofd een aartsdiaken met bestuurlijke zaken.
Het dorp Lopik viel onder het aartsdiaconaat van Oudmunster, bijna de gehele Lopikerwaard onder het aartsdiaconaat van Oudmunster, St. Marie en van de Koorbisschop (dat is een ambtenaar van de bisschop die geen kapittel achter zich had, deze staat lager in de hiërarchie dan zijn collegae, hij had ook veel minder bevoegdheden).
Kapittels hadden veel rechten, ze mochten zelfstanding beschikken over hun bevoegdheden en gingen er vaak toe over om bepaalde rechten in leen uit te geven. Het resultaat van deze belening was dat veel gebieden met de rechten en het recht spreken zeer ver van de oorspronkelijke bezitters kwamen te staan. Veel grondgebied dat oorspronkelijk tot het Sticht behoorde, ging daardoor behoren bij Holland of tot de baronie van IJsselstein. Het kapittel van St. Marie is later over gegaan van de kerk naar de “overheid”, we praten dan over een ambachtsheer dus gezaghebbende mensen van de Staten (Generaal).
Het kapittel van St. Marie heeft de oude rechten ten op zichtte van de kerk van Lopik in 1816 in handen van Koning Willem I gegeven.


Rond 1425 na Chr. werd de eerste stenen kerk vervangen door een nieuwe kruiskerk. Deze kerk had een torenspits van 50 meter hoog en het was een zeer duidelijk herkenningspunt in de gehele Lopikerwaard, toen ook wel het Sticht genoemd.
Het oude koor is verhoogd, afgesloten en daarbij is een kruis gemaakt, (zijbeuken).
In de Utrechtse Universiteitsbibliotheek wordt het Missale (het Misboek) bewaard dat toen door de de Lopikse pastoor gebruikt is. Het dateert uit ongeveer 1425 en is bijzonder belangrijk door zijn aanhef en zijn besluit. Daar staan namelijk de namen van personen vermeld die geschenken aan de kerk van Lopik gaven. Hierin staat ook vermeld dat in 1464 –1469 land is verkocht ten behoeve van “het nieuwe cruuswerck”. Als ze nu een beetje stevig hebben doorgewerkt dan was hij rond 1500 af.
De afmetingen liegen er niet om. Het was toen een zeer grote dorpskerk.
Het koor was 10 ½ meter lang en 7 meter breed. Het kruis 5 ½ meter lang bij 18 meter breed, het schip 20 meter lang bij 10 meter breed. De spitstoren was 50 meter hoog. De totale lengte van de kerk was ruim 40 meter. Nu zou men zeggen: wat moesten ze toen met een dergelijke grote kerk. Vergeet niet dat al in 1330 de Lopikse parochie zich uitstrekte van het Klaphek (bij Vreeswijk) tot aan Zevender (onder Schoonhoven). Dat is een lintgemeente van ruim 20 km lang. Doordat de wegen van zand waren en bij zeer nat weer niet begaanbaar waren, verrezen aan de beide uiteinden van deze langgerekte parochie twee kapellen, naast de Lopikse hoofdkerk, namelijk in Lopikerkapel en in Cabauw. Voor de sacramenten moesten ze naar de Lopikse hoofdkerk komen, omdat de kapelaan daarvoor niet bevoegd was.
Lopikerkapel is in 1620 een zelfstandige hervormde gemeente geworden, terwijl Cabauw eigenlijk altijd een Roomse enclave is gebleven. Omdat er in 1820 nog maar een gezin naar de kerk ging is besloten om de kapel af te breken.
In het midden van het koor van de kerk in Lopik stond in het Hoofdaltaar, gewijd aan de Heilige Maagd. Er hebben ook nog andere altaren gestaan, namelijk gewijd aan den Heilige Nicolaas en een gewijd aan het Heilige Kruis. Naar alle waarschijnlijkheid heeft ook nog een gilde, vermoedelijk van de boogschutters van de Broederschap “St. Sebastiaan” ook een altaar gehad. Er werd toen grif geld, goederen, opbrengsten van oogst gegeven voor hun “zielenrust”.

In 1385 overlijd Bartholomeus Lambert Gerritz. Hij was de eerste priester in de Lopik die schriftelijke word vermeld. In 1588 was Johannes Lamberts de pastoor van Lopik. Nicolaas Lecnyer (Lecquir) was toen vice-cureit, maar is later pastoor van Lopik geworden. Hij is ook bekend als Nicolaas a Greyer. Dat hij al wat langer in het geheim hervormingsgezind was, valt alleen te vermoeden en niet te bewijzen. Hij was de eerste predikant van de Hervormde Gemeente van Lopik.
Lopik is vrij laat tot de “Nije leere” overgegaan (1590) als je bedenkt dat het 70 jaar na Luthers optreden is. We weten dat in 1529, 12 jaar na Luthers optreden, de Lutherse denkbeelden al sterk zijn doorgedrongen in de Baronie van IJsselstein (Benschop en Polsbroek horen daar ook bij), dat de Heer van IJsselstein in 1532 alle disputen over “de nye leere” verbiedt. Maar in 1577 is IJsselstein overgegaan tot de “Nije leere”. Het is altijd al zo geweest, maar het platteland komt altijd achter de steden aan.
De tijd van de eerste predikanten was niet makkelijk. Ze waren predikant, diaken en ouderling in één. Er vinden veel kerkvisitaties plaats, dat is ook wel nodig om de kerken goed te sturen, ook in Lopik. Het koor was in 1593 nog niet helemaal gezuiverd van de altaren. Na een visitatie vanuit de classis begint er een beetje beweging te komen in het trage proces van Hervorming.
In 1620 komen de eerste ouderlingen en diakenen. Een grote ontlasting voor het werk van de predikant.
Rond 1576, het is het begin van de 80 jarige oorlog (1568-1648) tegen de Spanjaarden, brand de torenspits af door schermutselingen met de Geuzen. In 1636 zal er een soort van toren hebben gestaan, want de Spanjaarden trokken in 1636 weer door Lopik heen en verbranden de torenspits. In 1637 werd een publieke aanbesteding gedaan voor “een nieuwe naeldtspits op den kerck-toorn”

De klok die nu in de toren hangt komt uit 1562 (is dus ruim 440 jaar oud). Daarvoor heeft er een klokje gehangen uit 1462 (voor zover er uit de verschillende documenten te lezen is). Daarvoor zal er wel een klok gehangen hebben in de toren.
In 1605 schenkt het Dijkcollege een zware klok aan de kerk. Die moest geluid worden bij watersnoodrampen. Die klok woog 2138 pond (dat is dus ruim 1.000 kg). De Lopikse kerkmeesters (zeg maar kerkvoogden) hebben na dit geschenk de smaak te pakken met het hangen van klokken in de kerktoren. Ze lieten in 1606 nog een klok gieten met het opschrift:
“Gorvert van Amerongen, Schout, Maerten Mathysz, Adriaen Jansz. Kercmeesters tot 
  Looppick, Cornelis Hendricz tot Cabau, hebben deze Clock tot cieraat van de parochien
  doen gieten. Godt wil haer naemaels tot salicheit laeten genieten. Henricus Meurs me  fecit –  anno 1606”

Dat is een heel opschrift op een dergelijke klok. Dat is heel wat na 16 jaar van Hervormde prediking in Lopik. Dat zeg ik niet zomaar, omdat de kerkmeesters, op echt roomse wijze, proberen met hun “goede werken” in het hiernamaals te komen.
Veel geluk heeft Lopik niet met de klokken. In 1651 wordt de klok opnieuw gegoten omdat de klok van de kerkmeesters is gebarsten.

Ds. Benjamin Wannemaker is in 1616 als proponent gekomen in Lopik en is op 20 augustus in 1619 afgezet omdat hij zich ontpopt had tot een vurige Remonstrant, zelfs een der ultra’s. Eerst maakte hij kleine en later grote bezwaren tegen Catechismus en Confessie. De Synode ontzet hem op 20 augustus 1619 uit het ambt.
Zijn opvolger kwam ook in 1619, namelijk Ds. Daniël Schagen Gerbrandzn naar Lopik als proponent en heeft zijn hele leven daar gestaan (30 jaar lang). In 1650 doet Ds. Gerbrandus Schagen Danielzn (de zoon van) intrede als predikant en dient ook 30 jaar in Lopik (tot zijn dood). Dit beroep heeft een nasleep. De kerkvisitatie van 1651 komt er achter dat de kerkenraad aan de ambachtsheer (nog steeds het kapittel van St. Marie, nu in handen van de overheid) heeft gevraagd wie ze moeten beroepen. De kerkenraad had alleen om advies gevraagd, maar het kapittel dacht dat ze het recht hadden om te beroepen / aan te stellen /  aan te wijzen. Het kapittel voert aan dat het een grondrecht van hun is omdat bisschop Theodoricus in 1200 hen de kerk van Lopik heeft geschonken. De classis zegt dat dat niet meer geldt na de Hervorming.
Het kapittel heeft het tot drie keer toe geprobeerd (1651, 1711 en in 1760). Elke keer heeft de classis een proces gevoerd tegen de Staten. De laatste keer heeft het kapittel gewonnen en mochten ze het predikantsberoep van Lopik zelf bepalen, het duurde overigens maar 55 jaar. In die tijd is er veel haat en nijd tussen de Roomsen en de Hervormden. De Staten moest veel vaak tussen beide komen, maar had veel belangrijke zaken te doen.
In de Staten (hier in Lopik als de Schout vertegenwoordigt) waren er ook Roomse en Hervormde mensen. Ook in het hele gebied (dus ook in de Lopikerwaard) woonden de mensen door elkaar.
De noodzaak van een nadere Reformatie is noodzakelijk, ook voor Lopik is dat zo. Uit de woorden van Ds. Schagen blijkt, welke geestelijke richting hij is toegedaan. Hij is de geestverwant van Lodensteyn, van de Teellincks, van Voetius. Ds. Schagen blijft, samen met de kerkenraad ook aan de Nadere Reformatie werken. Een goed voorbeeld is dat hij bij het Gerecht vroeg om het aanleggen van een goed zandpad naar Lopik toe. In de winter zijn de wegen naar Lopik onbegaanbaar door vorst en water. Hierdoor loopt de kerkgang zeer terug. Ook de vele kerkvisitaties hebben een grote invloed gehad op het proces van de Nadere Reformatie in Lopik.
In 1790 staat de kerktoren 1 meter uit het lood. Wat wil je als er voor 4 a 5000 pond (dat is 2 a 3 ½ ton aan gewicht) aan brons hangt in een 50 meter hoge torenspits.

De kerkklok die nu in de toren hangt komt uit 1562 en heeft het volgende opschrift:
 “Johannes Evangelista is mijnen naem. Mijn gheluyt sy Gode bequaem. Jan Moor maakte  mij  int jaer ons heren 1562.”
In 1646 wordt er een bode aangesteld die de kerkglazen moet bewaken. Dat hebben ze gedaan omdat er gebrandschilderde ramen in het kerkgebouw hebben gezeten die erg duur zijn. Ze zijn helaas niet bewaard gebleven.
1672 is een rampjaar voor de Lopikerwaard, want de Lopikerwaard is een deel van de Waterlinie dat toen onder water heeft gestaan. De Fransen komen en de Lopikers kunnen geen verzet bieden omdat de kracht ontbreekt. De kerk van Jaarsveld is toen uitgebrand en het kasteel is opgeblazen. In 1688 word de kerktoren gerestaureerd.

Tussen 1699 en 1700 vind er een grondige restauratie plaats. Alle oude grafzerken in de kerk werden vervangen door nieuwe zerken. Alle oude grafzerken van pastoors, en hun tijdgenoten zijn dus opgeruimd en verloren gegaan. De oude preekstoel is vervangen door een nieuwe en deze staat nog steeds in de kerk van Lopik.
Op de preekstoel verschijnt in 1694 een zandloper, een nieuwe bemoeizucht van de regenten. Het was de bedoeling de predikanten in te prenten, “niet langer te preken dan het den Heere behaagt”. In 1773 worden de psalmen van Datheen afgelost door de nieuwe berijming. Deze worden als “Staatscreatuur” aan de kerk opgelegd.
De kerk en toren worden in 1742 weer gerestaureerd en het kapittel betaald krachtig mee. De torenspits van Lopik wordt in 1780 vernieuwd.

De toren van de kerk staat 1 meter uit het lood naar het Zuid West, het heeft al een zwaar gebint in de kerk gebroken. Er worden vele plannen gemaakt (een grote steunbeer van 9 meter hoog metselen tegen de toren of de toren afbreken en opnieuw bouwen). Er word door de kerkmeesters in 1794 besloten om de torenspits (van bijna 20 meter) af te breken en ook nog eens 4 meter van de toren zelf. Er word een noodkap aangemaakt om de 2 zware klokken te beschermen. In 1797 word er nog eens 7 meter van de toren afgebroken en er wordt 1 klok verkocht. De preekstoel wordt in die tijd ook verplaatst met een schot erachter dat het koor afscheidt van de kerk. In 1800 word er in de kerk bank-en stoelgeld ingevoerd, omdat de kerk niet genoeg geld heeft om rond te komen. In 1813 maakt de overheid een eind aan het begraven in de kerk, het mag nu alleen nog maar buiten de kerk.
In 1818 is de toren afgebroken en het schip tussen de toren en de huidige toren afgebroken tot wel zo’n 12 meter lang. Ook is er een nieuwe toren gebouwd. In de tijd van 1780 en 1810 was er bijna geen geld om alles te onderhouden vanwege de Franse invallen en de doortocht van de Engelse troepen in 1796.
1834 is het jaar van de Afscheiding. In Lopik is het laat op gang gekomen, pas in 1836. Massaal is de Afscheiding niet geweest.
Ook de Doleantie is Lopik niet voorbij gegaan. In 1888 zijn er zeven lidmaten die de kerkenraad lieten weten dat zij zelf de Reformatie der kerken ter hand zouden nemen, door het ambt der gelovigen en tegen de synodale hiërarchie (lees besturen).
Het gaat niet goed met het kerkgebouw. In 1859 komt architect Kamperdijk uit Utrecht kijken voor een restauratie en noemt het een duivenhok. In 1864 word de kerk grondig gerestaureerd door aannemer Verhey uit Ameide. In 1876 word de zuidgevel van de kerk bepleisterd met portland. De noordelijke gevel blijft bespaard. In 1889 word de kerk weer gerestaureerd en er wordt een pijporgel aangeschaft in Leeuwarden. Het transport komt vast te zitten in de barre winter van ’90 in de Zuiderzee, samen met de kanselbijbel. In 1907 worden kerkstoelen vervangen door kerkbanken en in 1928 komen er 3 kachels in de kerk.
In 1964 vind er een zeer grote en ingrijpende restauratie plaats van de kerk en is pas klaar in 1967. Tijdens deze restauratie zijn er een aantal muurschilderingen tevoorschijn gekomen, waar ze geen weet van hadden. In het fotoalbum staan een aantal foto's van deze muurschilderingen. Na een inbraak in 2001 is de kanselbijbel gestolen en is de kluis met een slijptol open gemaakt (als een sardienblikje). Één van de Heilig Avondmaal bekers is er uitgehaald en stond nog op de consistorietafel. Het Heilig Avondmaalstel is gelukkig nog kompleet gebleven, maar de kanselbijbel is voorgoed weg. Ter vervanging heeft er een andere grote bijbel op de kansel gelegen. In maart van 2003 is er een nieuwe kanselbijbel aangeschaft en zo blijft het geopende Woord van God weer op de kansel.